126
Ik vermoed, dat het nü al geen open vraag meer is. Ik voorvoel zelfs het antwoord.”
„Hetwelk luidt?”
„Géén geleerde bol. Veeleer een stommerik.” „Maar een reddende engel voor haar zus,” knikte Wies hartelijk, en Greet vond het opeens heelemaal niet erg meer, dat ze in de toekomst waarschijnlijk geen geleerde bol zou blijken te zijn.
* *
*
Eér de wereld een etmaal ouder was, — hoefde Wies al geen advertentie meer te plaatsen. De wereld was zelfs nauwelijks een uur ouder, toen een schuchter belletje Greet naar de voordeur lokte.
Er stond een lang, mager, sprieterig kind. „Had je een boodschap?” moedigde Greet aan. „Ja juffrouw, of u al voorzien was op de advertentie.”
„Nee! !” jubelde Greet. „Hoezoo?”
Het kind leefde zichtbaar op.
„Juffrouw, ik kwam op de advertentie,” dreunde ze haar lesje af.
Greet voerde haar in triomf mee naar Wies, die heelemaal op niets was voorbereid.
„Een redster uit den nood,” zei Greet gesmoord. „Nog van de advertentie.”
„Door den hemel gezonden,” zei Wies even gesmoord terug, maar ze zette zich daarna toch een beetje in postuur om op een mevrouw te lijken.
Het kind wou dolgraag, — wou alles wel dolgraag. En ze heette Dina. Dat was wel niet te