124
was, zei ze met glanzende oogen:
„O, Wies, wat heerlijk voor jullie! En wat heerlijk voor Eetje en Teetje!”
Even later:
„Nu moeten het zusjes zijn. O, het moeten vast zusjes zijn!”
„Ja maar,” kwam Wies bescheiden, „ik weet natuurlijk niet zéker, of het er weer twee zullen zijn.”
„Hoeft ook niet,” zei Greet goedig, „als ’t maar in elk geval een zusje is. Voor de afwisseling. Leuk, zeg, voor zoo’n zusje, om twee oudere broers te hebben. Daar hebben wij tevergeefs naar gesnakt, hè Wies?”
Maar Wies wou elke verantwoordelijkheid van zich afschuiven.
„Reken er nou voor de zekerheid op, dat het een broertje is, dan kan ’t je in elk geval alleen maar meevallen.”
„Goed,” zei Greet gelaten, maar Wies, haar kennende, wist, dat ze toch aan het zusje vasthield, — misschien zelfs wel aan twee ...
„Hadden we nou geen gelijk vanmiddag,” triomfeerde Greet, „toen we je naar bed stuurden? Je bent ééns zoo schoon van je sponde herrezen.”
„O, maar ik wou dolgraag. Zulke tegenwerpingen zijn niets dan aanstellerij, — leer dat van mij,” onderwees Wies.
„Dan weet ik het voor ’t vervolg. Als ik nou zeg, dat je iederen middag naar bed moet en je maakt tegenwerpingen, is dat dan ook aanstellerij? ’t Is maar een weet, zie je.”
„Nee, maar nou in ernst: dat kan echt niet.”
„Is vanmiddag de boel in ’t honderd geloopen?