123
jaren, toen er geen eindexamen dreigde! Waar dacht ze aan, — terwijl Heleentje immers voorzien was van een juf!
Bernard speelde in de zijkamer even één van de opgaven voor haar door. Nu keek Heleentje zeker in eerbiedige verrukking tot hem op. Hoe kwam het kind er bij!
Nu kwamen ze uit de zijkamer te voorschijn. „Mag ik de juffrouw nog even goeiendag zeggen in de keuken?” hoorde Greet.
Heleentje kwam om ’t hoekje van de deur. „Dag Heleentje! Goeie reis!”
Wat keek dat kind sip. Er was toch niets? Wat zei ze mat: „dag juffrouw.”
Toen Heleentje al bij de straatdeur was, schoot het Greet ineens te binnen, waarom het was. Ze rende haar achterna.
„Heleentje! Je zou toch blijven tot de jongetjes wakker werden?”
„Ja!” knikte Heleentje met een verlichten zucht. Toen brak de zon door...
* *
*
Dien avond, uitgeslapen en rozig en kiplekker, vertelde Wies zacht, met een blij lachje, aan Greet, dat ze eigenlijk niet zoo èrg gejokt had op dien audiëntie-avond, toen ze tot tweemaal toe opsneed over haar vier kinderen.
„Want als het van den winter wéér een tweeling is, heb ik zelfs heelemaal niet gejokt.”
Greet keek Wies een oogenblik schaapachtig-dom aan. Maar toen de schaapachtigheid geweken