122
„Ze heeft me gezelschap gehouden,” legde Greet uit. „We hebben ’t heel gezellig gehad samen.” Greet zag ineens, hoe ’n grenzenloozen eerbied Heleentje had voor haar viool-meester. De manier waarop ze tot hem opkeek! Hoe was het mogelijk, met zoo’n jongensgezicht nog maar, en dan al eerbied in te boezemen! Maar het was zeker meer zijn viool dan hijzelf, die het ’m deed.
„Ik ga morgen op reis,” verklaarde Heleentje met een schuchter stemmetje, — het feit, dat ze zonder zijn voorkennis in de keuken zat, scheen haar nog niet glad te zitten, — „en nu kwam ik vragen, wat ik in de vacantie mag spelen.”
„Neem je je viool mee? Fijn, Heleentje!”
Hij dacht zeker aan Kees, het hopelooze geval, hoe die snakte naar de vacantie, omdat hij dan geen viool hoefde aan te raken.
„Heb je je muziekboeken bij je? Dan gaan we in de zijkamer even uitzoeken.”
Greet, alleen gelaten, schilde wat aardappels en bepeinsde het wonder van het stralende Heleentje, dat tusschen allemaal groote menschen opgroeide. O, zie je, bij zóó’n kind juf te mogen zijn, voor zóó’n kind het leven fleurig maken, — dat zou toch duizendmaal meer waard zijn dan studeeren voor ’t een of ander vak, waar toch niet je heele hart naar uitging. Hébben, — zoo’n kind hébben, — haar volgen in al, waar ze zoo warm van hield: in haar vioolspel. O, heerlijk moest dat zijn.
Toen lachte ze even. Waar dacht ze aan, terwijl Fransch en Duitsch en Engelsch en velerlei vertakkingen van Wiskunde en wie weet wat voor wetenschappen meer op haar wachtten, — dringender op haar wachtten dan de voorafgaande