120
Als sterretjes dansten haar oogen. Wat moesten die vioollessen veel voor haar beteekenen!
„Blijf je bij me wachten, tot meneer thuiskomt?”
„Astublieft!”
„Dan worden de jongetjes misschien ook intus-schen wakker, — dan kun je ze nog zien. Of wordt juf misschien ongerust, als je zooveel later thuiskomt?”
„Nee ... juf weet wel dat... Nee, juf wordt nooit ongerust.”
Er klonk iets erg zieligs in, dat er niemand op haar wachtte, en Greet dacht: ’t is wel lastig, als je moeder gauw ongerust is, — maar dit is erger.
Kon ze maar iets zijn voor dit Heleentje, — iets warms voor haar zijn, — op haar wachten thuis, — ongerust over haar zijn... Maar morgen ging Heleentje op reis en als ze terugkwam, was zijzelf misschien hier al weer weg. En wat dan nog ... wat kon je zijn voor haar, als je haar juf niet was...
Malle, die ze ook was: Heleentje was toch vroolijk en welgemoed! Ze had niet eens behoefte aan iemand, die op haar wachtte!
„Heb je de jongetjes in lang niet gezien?”
„Ik mag na elke les even kijken!” zei ze trotsch.
„Leuk zijn ze, hè?” met tantelijke ijdelheid.
„Nou!”
„Wie vind jij de leukste?”
Heleentje bloosde.
„Allebei, hoor!”
„Precies gelijk?” vorschte Greet, die aan Heleen-tje’s blos merkte, dat de neutraliteit niet volkomen was.
„Nee, ze zijn niet gelijk.”