119
leen maar een moeder en die is nogal erg oud, want juf is ook een beetje oud. En juf haar moeder is ook doof.”
Dat laatste kwam er zoo grappig mededeeling-achtig uit, en zoo ernstig, dat Greet hardop moest lachen.
„Daar kun je wel plezier om hebben in je vacantie, of juf haar moeder nou doof is of niet!” „Ja, maar dan moet je zoo hard praten, dat is wel lastig, hè?”
„’t Zal wel meevallen,” troostte Greet. „Heb je nog broertjes en zusjes?”
„Een broer en twee zussen. Maar die zijn groot.” Groot, groot, — allemaal groote menschen rondom, — en toch was het zoo’n vroolijk en zonnig dingsigheidje.
„Hoe groot wel?”
„Werra, die is vijf-en-twiritig, die is al afgestudeerd,” — ze zei het met ingehouden trots, — „en Wim, die is drie-en-twintig, die wordt dokter, en Meta is twintig, die studeert Engelsch, net als vader. En nou moet vader naar dat congres en Wim en Meta kampeeren en Werra is ergens bij een vacantie-cursus, geloof ik, en nou kon juf best naar huis als ik er niet was, en nou ga ik met juf mee.”
Greet dacht: zou Bernard dit allemaal weten? Nee, natuurlijk niet, — die weet alleen maar, dat ze zoo’n heerlijken streek heeft en dat ze zoo’n lief leerlingetje is. Hij kan ook niet alles weten van zijn leerlingen, — en toch moest hij dit eigenlijk weten...
„Speel je graag viool?”
„Nou!”