118
viool mee. En of meneer me wou wijzen, wat ik in de vacantie mag spelen.”
„Dat mag Bernard niet missen,” dacht Greet en ze haalde gauw Heleentje mee naar binnen, — mee naar de keuken, waar ze haar schort weer aandeed en vlijtig verder ging met worteltjes schrapen.
Heleentje was eerst wat verlegen; in de keuken was ze nog nooit geweest. Maar toen vroeg ze: „Mag ik meehelpen?”
„Nee,” zei Greet, „ik ben bijna klaar en je hebt zoo’n leuke bloemetjes-jurk aan, — die zou maar vuil worden.”
Heleentje legde de bloote, ronde armen op het keukentafeltje.
„Ja, dat is waar,” knikte ze.
„Vind je ’t fijn, dat je op reis gaat?” vroeg Greet.
„J-ja,” aarzelde ze.
„Niet zoo bar? Waar ga je heen?”
„Met juf naar Delft. Daar woont ze.”
„En vader en moeder dan?”
„Moeder leeft niet meer, en vader moet naar een congres.”
Greet schrok even; ze had zoo argeloos naar moeder gevraagd, en net zoo argeloos zei Heleentje, dat moeder niet meer leefde.
„O, dat wist ik niet,” zei Greet zacht.
„Nee,” zei Heleentje, „vanzelf niet.”
„Is juf aardig?”
„Jawel,” zei Heleentje vlak, zonder enthousiasme. „Dan is ’t toch wel leuk, om met haar op reis te gaan?” zei Greet, tegen beter weten in.
„Ja,” zei Heleentje gelaten. „Maar juf heeft al