111
„Ik bedoel ook niet het innerlijk,” hield Bernard hardnekkig vol, „maar of ze je flink kan helpen.”
„Natuurlijk! Zoo’n landelijk kind is zoo flink. Wou je dan liever die flinke van daarstraks, die me iederen dag een kamer een beurt wou laten geven?”
„Zei ze dat?”
„Nee, maar ik kon het zóó aan haar zien. En deze heeft een zangerige stem, dus misschien is ze wel muzikaal ook.”
„Hm,” gromde Bernard.
„Wat ben je gereserveerd tegen haar! En haar jongste zusje is ook nog drie maanden.”
„O, dus die kan niet komen helpen als Maartje vacantie heeft.”
„Wat hèb je tegen Maartje? En je speelde nog wel zoo mooi, toen je haar had gezien.”
„Dat was geen inspiratie, — dat was zóó maar.” „Hè jakkes, wat zet je me een domper op. Ik was al zóó verrukt van Maartje.”
„Ik hoop,” wenschte hij plechtig, „dat je lange, gelukkige tijden zoo verrukt van haar zult mogen blijven.”
„Zoo zij het,” — en gearmd togen ze naar de huiskamer, waar Greet ook nog lang niet uitgepraat bleek te zijn over Maartje’s bekoorlijkheden.
Tenslotte kwam er nog een nummer vijf, maar Wies biechtte haar in de gang al, dat ze met een ander meisje had afgesproken voor Maandag. Nummer vijf draalde echter en noemde toch maar Voor de zekerheid een paar van haar voortreffelijke hoedanigheden op, waar Wies goedig naar luisterde, met haar gedachten bij Maartje.