112
Het was tijdens dit onderhoud in de gang, dat uit de slaapkamer een ontstemde kreet van Eetje kwam. Zoo’n kreetje midden uit den slaap.
Nummer vijf versteende zichtbaar.
„Huilt hier een kind?” vroeg ze met afgrijzen. „Ja,” knikte Wies, stralend van moedergeluk, „en zoo heb ik er vier.”
„Dag mevrouw,” zei nummer vijf haastig, het relaas over haar voortreffelijkheden schielijk onderbrekend.
„Ik heb er nu voor dezen keer weer vier van gemaakt,” zei Wies onheilspellend tegen Greet, toen de deur achter nummer vijf dicht was, „maar als er weer een komt, heb ik acht kinderen.” Gelukkig kwam er dien avond geen meer...
* *
*
Toen Greet den volgenden morgen de vestibule stofzoog, — ’t was waarlijk noodig, want door alle beslommeringen werden dingen als vestibules, waar je niet in wóónde, wat stiefmoederlijk behandeld en daardoor begon het geheel een grijzig waasje te vertoonen, — toen Greet dan de vestibule stofzoog, vond ze een vodje papier, dat in de brievenbus naar beneden was gedwarreld.
Ze nam het op, ontwaarde een onbedreven handschrift en las met eenige moeite:
„mevrou daar ik er maar van af zie omreden dat mijn moe er niet van houd bij kunstenaars in betrekkin zoo noem ik mij agtend
Maartje.”