110
„Ik vind het toch reuze-flink van je,” hield Greet vol.
„Zoo ben ik nu eenmaal,” zei Wies met gepasten trots.
De vierde zag er zoo gezellig uit, dat Bernard een rustig danswijsje liet hooren. Ze bloosde, had blond haar en helblauwe oogen, een rooden snoer bloedkoralen om haar ronden hals. Haar stem was zangerig, ze had een frissche lichtblauw-linnen jurk aan met een witten kraag, — ze leek zóó weg-geloopen van een landelijk prentje.
Wies knikte naar Greet en Greet begreep dadelijk waarom ze knikte: dit was het, waar ze op had gehoopt.
En in den loop van het gesprek bleek, dat alles werkelijk ideaal was: ze was gewend aan kleine kindertjes, want haar jongste zusje was drie maanden oud; ze kon al aanstaanden Maandag komen, dus nog maar één klein weekje hoefden ze alles met z’n beidjes te doen; ze... afijn, Wies straalde, toen Maartje, — ook dat: ze heette Maartje! — weg was en ze Bernards muziek, die van danswijze ongemerkt in drie verschillende genres was overgegaan, kon onderbreken.
„Ze heet Maartje, Bernard, en zoo ziet ze er ook uit. Ik vind haar gewoon een schat. Zag je. hoe ze er uit zag? Dagelijks versch gekarnd, vind je niet?”
Bernard had een zeldzamen aanval van bezadigdheid.
„Maar met dat dagelijks versch gekamde uiterlijk ben je nog niet geholpen!”
„O, maar haar innerlijk is ook zoo. Dat kun je zóó zien. Zoo open en ongekunsteld.”