„Ze leek me zoo streng,” zei Wies benepen. „Voor Eetje en Teetje?”
„Nee, — o nee, die zou ik wel verdedigd hebben tot mijn laatsten druppel bloed. Maar voor mij. Ik zou zooveel standjes gekregen hebben als ik niet doortastend genoeg was. Ik zou vast iederen dag een kamer een beurt hebben moeten geven. Geloof je ook niet?”