108
„Jewel juffrouw,” zei het meisje. En bleef zitten, „Ga dan nu maar weg, hoor.”
„Jewel juffrouw.”
En toen ging ze inderdaad weg en Wies ging Bernards inspiratie een beetje kalmeeren.
De derde was groot en sterk en had een luide, doortastende stem. Wies kwam erg onder den indruk, maar de viool in de zijkamer zweeg.
Ze hield van aanpakken, zei ze. Ze zei een heele-boel meer. Wies kwam niet aan het woord dan alleen om antwoord op haar vragen te geven. Tegenover zoo’n doortastend iemand durfde Wies geen paar kinderen er bij te fantaseeren, en zoo kwamen de tweelingen met leeftijd en al op de proppen. O ja, ze hield van kinderen. Ze was wel eens in een betrekking geweest met zes kinderen en die hadden allemaal gehuild toen ze weg ging. Greet stelde zich het weenende zestal voor en was diep getroffen.
Eindelijk kwam er een oogenblik van stilte, waarin Wies plotseling aangestoken werd door de doortastendheid van het meisje en durfde zeggen: „Ik geloof toch maar, dat ik het niet doe.”
De flinke keek haar verbaasd aan. Hoe kon iemand zóó haar geluk vergooien! Toen herstelde ze zich van haar verbazing, en zei koel:
„Zooals u wilt.”
Toen Wies terug was in de kamer, zei Greet bewonderend:
„Hoe durfde je!”
„Och,” zei ze bescheiden, „ik dacht dat het beter was, nu te durven tegenspreken, dan als ze iede-ren dag hier was.”
„Waarom heb je haar niet genomen?”