106
ik eventueel morgen kunnen doen.”
Greet: (terzijde, gesmoord) „Bij een barones!”
Wies: (terzijde, gesmoord) „Bij een barones!”
Wies: (tot het meisje) „Ik ben bang, dat het
nogal een groot verschil voor u zal zijn, want — (zich Bernards opdracht herinnerend) — wij zijn maar eenvoudige menschen.”
Het meisje: (minzaam) „O, mevrouw, dat hindert niet zoo erg.”
Wies: (plotseling vastbesloten) „Ja, en we hebben vier kinderen, allemaal nog klein en erg lastig en dat brengt een massa werk mee en ik kan niet veel meehelpen, want ik ...”
Greet: (terzijde, gesmoord, alsof ze op school
vóórzegt) „ ... ga uit werken ...”
Wies: (terzijde, gesmoord) „Hou je mond.” Wies: (tot het meisje) „ik... doe een rustkuur, ziet u?”
Het meisje: (ontsteld over de vier lastige kinderen en de rustkuur) „O juist. Ja, dan is het maar beter...”
Wies: (gretig) „... dat u het niet probeert. Ja.” Het meisje: (staat op) „Pardon. Dag dames.” (buigt even)
(Wies en het meisje af. Personen: Greet, snikkend in haar zakdoek.)
Wies: (komt weer op door de kamerdeur) „Gauw gedaan, hè?”
Greet: (nog snikkend) „Maar... waar haalde je opeens die vier kinderen vandaan?”
Wies: (nonchalant) „Och, zóó maar. Ik dacht, dat dat het beste hielp. Dééd het ook.”
Greet: „En die rustkuur dan?”
Wies: „Ik ga Bernard terughalen. — Die rust