105
Het antwoord op deze pijnlijke vraag kon Wies gelukkig schuldig blijven, want er werd weer gebeld.
„Ik ga wel,” knikte Wies, „stil maar.”
Nu vormden Greet en Bernard den achtergrond. Gansch de gang leek bevolkt.
Het was een meisje. Waarlijk, het was een meisje.
„Ik kwam op de advertentie,” klonk het Wies als muziek in de ooren.
„Komt u binnen,” zei ze eerbiedig; het meisje rook geweldig naar parfum, haar hakken waren indrukwekkend hoog, heur haren gepermanent.
„Ik ga wel in de zijkamer,” fluisterde Bernard Wies nog in, toen het meisje al in de kamer was. „Maar ik speel geen noot.”
„Waarom?” fluisterde Wies terug.
„Ze inspireert me niet.”
En toen Wies zich met een grinnik van hem afwendde:
„Zeg haar toch, dat we maar eenvoudige lieden zijn.”
„Komt in orde,” suste Wies, en kwam op door de kamerdeur.
Personen: Greet, zittend; het meisje, geurend en staand.
Wies: (beleefd) „Gaat u zitten.”
Het meisje: (voornaam) „O pardon.” (Gaat zitten.)
Wies: (verlegen) „U kwam op de advertentie?”
Het meisje: (vlot) „Ja mevrouw. Ik wilde graag van betrekking veranderen. Ik ben nu bij een barones in betrekking, maar het bevalt me daar niet zoo. Ik heb nog niet opgezegd, maar dat zou