en te zuchten.
Jupie zag geen Lea meer, was zich nauwelijks bewust wat hij hier bij de trein kwam doen. Hij zag alleen een locomotief, die daar straks in beweging zou komen, en waar hij, wat er ook gebeuren mocht, bij moest staan, als de grote stang zich ging bewegen.
‘Ik ga er vast in,’ zei Lea.
‘Goed,’ zei Jupie. ‘Dan loop ik maar vast door. Dan zie ik je straks wel langs rijden.’
‘Krijg ik geen zoentje van je?’ vroeg Lea teleurgesteld. ‘Het is de laatste keer.’
Jupie bloosde diep.
‘Ik doe dat tegenwoordig eigenlijk niet meer,’ bekende hij.
Maar omdat het de laatste keer was, wendde hij zich her- en derwaarts, en toen hij zag, dat niemand naar hem keek, mikte hij een vluchtige kus, eigenlijk nog in de lucht, maar bedoeld voor de wang van Lea.
Toen de trein zich in beweging zette, keek Lea gespannen naar buiten, naar Jupie, die een eind verder op haar zou staan wachten.
Ze zag Jupie staan, klein, vierkant kereltje, de handen in de broekzakken, de ogen een en al spanning. Maar zijn liefdevolle blik gold niet haar! Die gold alleen de locomotief, die hij bleef nakijken tot er niets anders van te zien was dan een paar wolkjes boven de lange trein uit.
98