HOOFDSTUK XV
Hoog bezoek
Lootje was, smal en witjes, dan maar weer naar school gegaan. Voor deze keer was het weer voorbij.
Het was een heel gezellige ziekte geweest dit keer. Want er had nog nooit iemand zoveel tijd voor hem gehad als Rozijntje, die al hun kousen op zijn ziekenkamer stopte, en met wie je kon praten alsof ze gewoon een jongen uitje klas was.
Het feestelijkste was wel geweest, de langzame ontdekking, dat Jack tegenwoordig zo aardig werd.
Alle mensen waren altijd aardig voor hem, en nu Jack ook nog! Het was haast te veel om te dragen.
Jack lachte veel meer dan vroeger; Jack praatte meer, en ’t was net of hij meer zag en hoorde ook. Ja, eigenlijk was het net - het was haast te mooi om waar te zijn - alsof Jack van hem hield! Misschien door het ziek zijn. Alle mensen hielden van hem, omdat hij ziek was, en daar was Jack nu bij gekomen.
Rozijntje voelde zich de laatste tijd zo blij hier in huis, dat ze wel telkens zingen kon. Zelfs had ze een paar keren haar fluit voor de dag gehaald, die Lea een keer voor haar meegebracht had. Jaren, o jaren geleden!
Jack en Lootje hadden er allebei om de beurt op geblazen en er tenslotte een do-re-mi-fa-sol-la-si-do uit gekregen. Maar hun bewondering steeg ten top, toen Rozijntje er, weliswaar hakkelend en stotterend - want rust roest, en deze fluit had eeuwen gerust - een duidelijk herkenbare sjier hamangalous uit te voorschijn getoverd had.
Een mirakel was het gewoon! Hoe zo’n Roza zo iets toch maar kon!
‘Zou ik zo iets kunnen leren ?’ had Lootje begerig gevraagd.
99