HOOFDSTUK XIV
Lea
Dokter had een nieuw assistentje gevonden.
En dat assistentje was ook al helemaal wegwijs gemaakt tussen de potjes en de flesjes, bij weegschaaltje en vijzel, door Lea, wier hart zwaarder en zwaarder werd, hoe meer het ogenblik naderde, dat dokter haar missen kon.
Ze verlangde naar het nieuwe, dat ze tegemoet ging, maar o, wat veel liet ze hier achter!
Ze dacht er telkens aan hoeveel er veranderd was in die jaren, dat ze hier was geweest. Hoe Jupie niets van haar had willen weten, toen ze kwam, en gehuild had van jaloersheid, omdat Rozijntje meer aandacht aan haar besteedde dan aan hem.
Ze dacht er aan hoe ze had moeten vechten om de paar logeerda-gen voor Rozijntje te krijgen, en hoe Rozijntjes vader toen toch nog zelf aan de trein was gekomen en Rozijntje een rijksdaalder in de hand had geduwd om iets voor te kopen wat ze zelf graag wou.
En die paar dagen thuis met Rozijntje als middelpunt in hun gezellig gezin.
En de jurk! De jurk, die ze met z’n allen haastig in elkaar hadden gezet, omdat Rozijntje naar een concert zou gaan.
Ze keek eens in Rozijntjes kleerkast. Daar moest de jurk toch nog hangen na al die jaren. Want ze had hem nooit weggedaan, al was hij haar veel te klein.
Maar in Rozijntjes kast hing nog wel een afgedankte huisjurk en een kale, te kleine wintermantel - van de groen voile jurk was geen spoor te bekennen.
Kinderachtig kind! Die had ze natuurlijk als meest noodzakelijk deel van haar uitzet mee naar de grote stad genomen!
En Lea dacht terug, verder, telkens verder, aan die avond, toen
92