daarom drukte ze haar voorhoofd maar tegen de kleine ruitjes. Misschien dat die ruitjes wel weg wilden gaan en haar doorlaten, dat ze op straat kwam en hard weg kon fietsen, omdat ze zich zo schaamde voor die meester, die verteld had van zichzelf.
Toen hoorde ze mevrouws stem, wankel en gesleten:
‘Kom eens hier, kind!’
Met een paar stappen was ze bij de canapé, bukte ze zich over het oude vrouwtje heen. Twee koude, gerimpelde handen streken over haar wangen heen en de oude lippen prevelden:
‘Rozijntje.’
147