‘En toen hebben we samen die sjier hamangalous gelezen en daar stond het in...’ Rozijntje vulde het aan:
‘Daar stond in: meiajin jowou ngezrie?
En toen hebben we het vertaald: weet U nog? Waar zal mijn hulp vandaan komen? En toen zei U, dat ik dat nooit vergeten mocht: dat mijn hulp van God kwam. Daar heb ik later zo dikwijls aan gedacht. Dat heeft me later zo dikwijls geholpen.’
‘Ja,’ knikte meneer. ‘En de laatste tijd, toen de vrouw zich niet helpen kon en ik kon haar niet helpen en we waren maar zo alleen en we voelden ons zo oud, toen heb ik wel eens gevraagd: meiajin jowou ngezrie? En toen kon ik het antwoord wel eens niet vinden.’
Hij legde zijn hand open op het boek. ‘Valt je dat niet tegen van zo’n oude meester, die altijd net gedaan heeft of hij het antwoord wel wist?’
Rozijntje keek hem aan met wijd open ogen. Ze kon niet antwoorden. Als hij nu maar ophield met zichzelf klein te maken tegenover haar! Als hij nu maar weer haar meester werd en niet over zichzelf praatte. Want ze schaamde zich zo, dat hij dat deed tegen haar!
‘Ik heb het antwoord niet geweten,’ ging hij verder. ‘Ik vergat het antwoord. Maar nu jij binnen bent gekomen en dat gezegd hebt... dat je ons helpen wilt, iedere dag, nu weet ik het antwoord weer. Nu... nu...’ Hij veegde weer zijn brilleglazen af en sprak niet verder, kon niet verder spreken. En Rozijntje schaamde zich zo vreselijk.
Met een gebroken zuchtje werd mevrouw wakker.
Het was Rozijntje opeens of ze nu maar weg moest lopen. Of ze haar boodschap niet nog eens zeggen kon, tegen mevrouw ook.
Ze stond op en ging ijverig de bloempotjes bekijken.
‘Wie was daar?’ hoorde ze mevrouw vragen. En ze zag meneer langzaam naar de canapé sloffen en hoorde een mompelen van twee oude stemmen, die niet helemaal meer fluisteren konden.
En weer dacht Rozijntje, dat ze nu maar weg moest lopen en
146