mokkende schouders van Jack.
En op dat ogenblik, toen ze haar zakdoek nog niet gevonden had, veegde Mo opeens met zijn zakdoek, die eigenlijk meer op een poetslap leek, over Jacks gezicht.
‘Nou zeg,’ gromde hij, ‘zo erg is het niet. Als ik het je niet vóór kan zingen, dan wil mijn grote broer het wel doen, hoor!’
Toen lachte Jack.
140