Jupie en vader, want vader mist me zo.’
Ze kon niet helemaal tegenhouden , dat er trots doorklonk in haar stem, toen ze die laatste woorden zei.
Jack was heel wit geworden.
‘En ik dan?’ fluisterde hij.
Toen zag Rozijntje opeens die drie jongetjes samen vóór zich en het flitste door haar heen, dat alles minder moeilijk was, nu Mo er bij was. Mo met zijn steile kuif, zijn zomersproeten, zijn dikke bril en zijn te lange polsen uit de te korte mouwen van zijn matrozenpak.
‘Jij?’ herhaalde ze in gedachten en ze greep Jacks twee jongensvuisten. ‘Je hebt Mo nu toch!’
‘Ja!’ kwam juichend en verlossend Lootjes stem ertussen. ‘Daar heeft ze gelijk in. Fijn, zeg, Mo, dat we jou nu hebben!’
Er drupte een traan langs Jacks neus, en hij rukte om een vuist vrij te krijgen om die traan weg te vegen.
Maar Rozijntje liet niet los.
‘Als vader me zo mist, moet ik er toch heen,’ zei ze half smekend.
‘’t Is toch- gemeen van je,’ zei Jack. En toen liet Rozijntje zijn beide vuisten los.
O, wat had ze gehoopt, zonder dat ze het wist, dat Mo in Jacks hart zo’n plaats zou innemen, dat hij haar niet missen zou. Maar misschien toch! Misschien toch! Als het eerste ogenblik voorbij was...
Jack had zich langzaam omgedraaid. Zijn zakdoek kon hij niet vinden. En wijdbeens, met de handen in de broekzakken stond hij, met de rug naar Rozijntje toe, naar buiten te kijken.
Rozijntje wist niet of ze naar hem toe durfde gaan.
Ze kon hem in ieder geval een zakdoek geven. Dat zou misschien de vriendschap een beetje herstellen.
Haar eigen zakdoek maar gauw even?
Ze grabbelde onhandig in haar tas, keek onder de hand naar de
139