kip.
En de vader was ook wel aardig.
Nou ja, alle vaders en moeders konden nu eenmaal niet zijn als die van hem. Dat zou ook wat moois zijn!
Hij keek zo onder het eten eens tersluiks de mensen aan tafel langs.
Lootje: gezellig knulletje! Wat kon die toch enig lachen! Dingen, waarom thuis al lang niet meer gelachen werd, kon hij voor Lootje makkelijk nog eens drie, vier keer te pas brengen, en iedere keer opnieuw had hij die gezellige schater.
Daarnaast Roza. Mo voelde een lotgenoot in haar. Hij wist niet hoe, maar hij begreep, dat de kip voor haar ook wel eens moeilijkheden opgeleverd moest hebben. En dat maakte haar heel sympathiek. Toen Mo onder het eten een keer heel diep zuchtte en met een lang niet schone zakdoek zijn bezweet voorhoofd afveegde, zodat er een zwarte streep dwars over zijn voorhoofd bleef zitten, toen ving hij een bemoedigende knik van Rozijntje op, en dat maakte, dat hij er nog maar eens een keertje bij zuchtte.
Dan Jack: Nou ja, dat was een vriend. Die hoorde zo’n beetje bij thuis al. Als iemand je vriend was, dan kon je niet meer over hem denken, zoals je over vreemde mensen dacht. Zoals je dacht over Jacks vader en moeder. Want die waren vreemd, helemaal vreemd. Kijk mevrouw daar nou eens zitten... wat een prachtige jurk! Met zo’n jurk aan kon toch nooit iemand bij de mensen van thuis horen! Ze had me daar toch een ketting om de hals! Mo durfde haast wel zweren, dat het parels waren. En parels... Stel je moeder eens voor met parels!
Meneer was wel leuk. Die lachte net zoals Lootje. Met een mannenstem dan natuurlijk. Meneer had hem ook op zijn schouder geklopt en dat vond hij toch wel verbazend aardig voor zo’n vreemde man, die je toch eigenlijk nog nooit gezien had.
Nee! Naar vond hij het hier niet. Alleen een beetje benauwd. Dat
135