HOOFDSTUK XX
Mo als leraar
Toen Jack al enige keren was blijven eten en Lootje zelfs ook een keer was meegeweest - maar die was zo hees als een kip teruggekeerd, omdat hij het onmogelijke getracht had, namelijk de andere kinderen aan tafel te overstemmen - toen vond de moeder van Jack en Lootje, dat Mo nu toch ook eens bij hun moest komen eten.
Mo wou dolgraag.
Hij was er zenuwachtig van, want aan de diepe stoelen, die hij van zijn vorig bezoek kende, had hij gezien, dat het maar geen gewone, alledaagse zaak was om daar te gaan eten.
Hij had zijn Sjabbos-pak aan voor die gelegenheid: een matrozenpak, dat wel een klein beetje te korte mouwen had, maar dat hij toch nog moest dragen, omdat die op hem volgde, een meisje was en geen jongen.
Nooit had een jongen beleefder met twee woorden gesproken dan Mo die middag tegen meneer en mevrouw.
Nooit had een jongen krampachtiger zijn vork op de nette manier vastgehouden dan Mo die middag aan tafel.
Het geluk was niet met hem. Er was kip, en een innerlijke stem zei hem, datje daarbij geen handen mocht gebruiken.
Hij durfde niet opkijken of meneer en mevrouw misschien toch de handen gebruikten. Hij keek maar strak en angstig naar de kip op zijn bord en gebruikte niet anders dan vork en mes.
Zijn hart bloedde bij de stukjes, die aan het kluifje bleven zitten en die misschien straks in de vuilnisbak terecht zouden komen. En alleen het bordje heerlijke compote kon hem troosten over het verlies van de verspilde stukjes kip.
Jacks moeder was wel een vriendelijke mevrouw, hoor! Ze praatte met hem alsof ze niets gezien had van zijn moeite met de
134