stem dan wel de mannenstem voor de dag zou komen. En een paar keer kwam hij tot de ontdekking, dat hij met dom open mond en zijn vork in de lucht gespannen zat af te wachten.
Mo’s vader was wel heel gezellig, maar hij kon er niet tegen, als er vijf tegelijk praatten. Dan zei hij, dat het stil moest zijn. En dan was het stil. Wel niet heel lang, maar het was stil.
Kon hij Mo zulke heerlijke stamppot aanbieden? Kon hij hem een koor van meisjes- en jongensstemmen door elkaar laten genieten? En vooral, kon hij hem een broer aanbieden, die hem het gezellige spel verschafte van afwachten of er een meisjes- of een mannenstem te voorschijn kwam?
Ach nee! Bij hem thuis was het toch maar een armzalig bestaan!
En dan dat bensjen na het eten! Drie mannen waren er, Mo’s vader meegerekend. Dat maakte het nog meer tot een feestmaaltijd.
Toen hij die middag, een beetje stijf van het zitten en een beetje ongemakkelijk van de twee borden stamppot, de terugtocht naar huis aanvaardde, een eindje weggebracht door Mo, was hij stil van al het overstelpende, wat hij meegemaakt had.
En toen Mo hem alleen gelaten had en hij probeerde te hollen om maar gauw al die gelukzaligheid te vertellen, toen hoopte hij, toen bad hij haast, dat Mo’s moeder nog vaak zou opbellen naar zijn huis, dat hij nog vaak zo’n feestmaaltijd zou mogen meemaken.
133