Rozijntje praatte druk door. O ja, heel aardig, ’t was er echt prettig...
‘Dan is er wat anders. Dan scheelt er wat anders aan,’ kwam meneer, met een lang-vergeten beslistheid in zijn stem.
Een niet tegen te houden kleur vloog over Rozijntjes gezicht, tot ver over haar oor.
‘Nee, hoezo?’ deed ze onbevangen.
En niet lettend op mevrouws sussende handbewegingen, zei meneer langzaam:
‘Je komt hier toch zeker vandaag niet voor ’t eerst? Ik ken je toch zeker langer? Zó luchtig praat Rozijntje niet, en ze is niets veranderd, dat heb ik straks wel gezien.’
Toen Rozijntje bleef zwijgen:
‘Waarom praatje er overheen?’
‘Omdat... ik ben nu toch oud genoeg, om het zelf uit te denken... en U hebt toch al genoeg narigheid...’
‘Kom... kom...’
‘Ik weet weer eens niet wat ik doen moet,’ begon ze toen maar meteen. ‘Vader... vader mist me erg... maar ik ben toch van huis weggegaan, omdat ik maar zo’n beetje omhing... en de jongens houden ook erg veel van me, geloof ik, en ik dacht wel eens, dat Jack me ook niet missen kan, omdat... omdat Jack denkt, dat niemand van hem houdt, en doordat ik van hem hield is hij een heel ander kind geworden,... maar vader mist me óók zo, en nu weet ik helemaal niet meer wat ik doen moet...’
Het bleef even stil.
Nu had ze het toch verteld. Nu had ze toch raad gevraagd, en mevrouw was ziek en had hulp nodig...
‘Ja,’ zei meneer, en hij zuchtte.
Dat waren geen dingen, waar hij raad in kon geven. Als ze tegenspoed had gehad, of echt verdriet... dan had hij kunnen helpen. Maar dit... hij had zelf toen niet helemaal begrepen, waar
126