aankleden en helpen en alles. Hij heeft het al druk genoeg,’ - met een hoofdbeweging naar de voorkamer.
‘Zullen we ’t eens proberen?’
Ineens was Rozijntje levendig geworden. Nu kon ze tenminste iets doen!
Wat keek meneer blij, toen een half uurtje later mevrouw aan Rozijntjes arm de voorkamer kwam binnenstrompelen! En toen mevrouw veilig op de canapé lag, met een kussen in de rug, verdween Rozijntje naar de slaapkamer, schoof het raam wijd open, legde de bedden uit, en ging toen in het keukentje snuffelen, wat daar te doen was.
En niet vóór het huisje aan kant was, de plantjes water gehad hadden, en ze alle drie met een kopje koffie zaten, liet ze zich in de voorkamer neer.
‘En vertel me nou eens hoe het met je gaat,’ werd meneer toen gezellig.
Rozijntje herkende nu pas zijn stem van vroeger.
‘Best!’ zei ze hartgrondig, en ze vergat waarvoor ze hier gekomen was. En ze vertelde van de jongens, die ze eerst had willen meebrengen, - wat gelukkig, hè, dat ze ’t niet gedaan had - en hoe ze Jupie had aangetroffen, en dat tante Saar nog altijd dezelfde was, en vader was ook best gezond... hoe meer ze er overheen praatte, hoe drukker en levendiger ze werd.
‘En hoe bevalt het je in de stad?’ vroeg mevrouw.
O, dat ging wel. ’t Was een mooie stad en er was veel te zien. Ze had ook alleen in de stad een jurk gekocht, in zo’n grote zaak, waar je met de lift naar boven ging. Een mooie jurk? Ging nogal, maar ’t was toch fijn, van je zelfverdiende geld...
Of ’t druk was in de stad? O, jawel, maar dat hinderde niet, daar wende je wel aan.
Toen vroeg meneer, en hij keek Rozijntje scherp aan:
‘En zijn die ouders van Jack en Lootje aardig voor je?’
125