‘Ja,’ zei Rozijntje. ‘Deze kleur zou Jupie helemaal niet staan.’ Ze lachte in zichzelf. ‘Hij ziet er zo heerlijk uit in zijn dikke, donkerblauwe trui.’
‘Ja,’ zei vader. En hij dampte weer. Na een poosje:
‘Je vindt dit spul toch mooier dan van Jupie.’
‘Och,’ Rozijntje haalde de schouders op, ‘mooier, dat weet ik niet. Iedere jongen moet dragen wat hem het beste staat.’
‘Ja,’ zei vader. ‘Jupie is lang zo fijn niet en daarom kan hij dat fijne spul niet dragen.’
Rozijntje keek opeens verschrikt op. Wat bedoelde vader? Waar wou hij heen?
‘Hoezo?’ vroeg ze.
‘Och, zo maar,’ zei vader. ‘Je vindt die jongens toch fijner dan Jupie.’
‘Fijner? Wat bedoelt u met fijner? Liever?’
Ze keek hem zo verschrikt in het gezicht, dat hij niet ‘ja’ durfde zeggen.
‘Liever?’ vroeg ze nog eens dringend.
En toen vader geen antwoord gaf en met neergeslagen ogen aan zijn pijp trok, zei ze opeens met tranen in haar ogen:
‘Bah!’
‘Nee,’ zei vader, ‘ik neem het je niets kwalijk. Ik kan me best voorstellen, dat je het daar beter hebt dan hier. Die mensen zijn rijker dan ik.’
Toen stond Rozijntje op en gooide de pullover met de fijne, zachte kleuren neer.
Ze stond met de handen op de rug voor vader.
‘Dacht u dat?’ riep ze. ‘Dat ik daar liever ben dan hier, omdat daar mooiere dingen zijn? Dacht u, dat ik daar wat om gaf?’
Vader legde zijn pijp neer en steunde met zijn hoofd op beide handen.
‘Waarom ben je dan weggegaan ?’ vroeg hij.
119