er maar flink wat in kreeg, dat dat magere jongetje een beetje dikker werd, dan kwam alles wel op zijn pootjes terecht.
Rozijntje moest even lachen ondanks haar ellende.
Tante Saar dacht toch altijd aan volproppen en toestoppen. Ze moest eens weten hoe een moeite het Lootje kostte om de helft van Jupies porties naar binnen te krijgen. En dan nu hij ziek was!
Nu hij ziek was!
Ziek in een vreemd huis!
De volle zwaarte van de taak, die ze nu droeg, voelde ze op zich liggen. Nee ze mocht het niet aan zijn ouders zeggen. Ze moest alles maar doen om hem beter te krijgen en maar hopen en God vragen of Hij Lootje toch heel gauw beter wou maken.
Twee dagen was Lootje heel ziek. En de derde dag vroeg hij Rozijntje op de man af of het haar niet enig leek om in een ander huis dan gewoon, ziek te liggen.
Van die kant had Rozijntje het nog niet beschouwd!
‘Vind jij het dan zo enig?’ vroeg ze.
‘Nou zeg! Natuurlijk! En een vreemde dokter! En deze is zo aardig! En heel ander behang dan op je eigen kamer! Want zie je,’ vertrouwde hij haar toe, ‘het behang thuis kende ik al zo lang uit mijn hoofd. Het ruitje loopt schuin op en die dwarsstrepen komen om de drie ruitjes terug. Maar dit behang,’ en hij keek vertederd naar het verschoten papiertje, dat op het fatale houten muurtje geplakt was, ‘dit behang kende ik nog helemaal niet en ik denk, dat ik beter ben vóór ik het uit het hoofd ken.’
Rozijntje aaide zijn hand en bad, dat hij beter mocht zijn vóór hij nog maar iets kende van het behang.
De vierde dag stond dokter er van te kijken hoeveel beter hij was.
Kwam door de luchtverandering, dacht hij.
En de zesde dag, in een mild lentezonnetje, zat Lootje op het erf in een rieten stoel opgetogen te kijken naar het spel van Jupie en Jack.
117