En de kleinste van de twee jongens maakte een Indianensprong en riep:
‘Lea! Is dat nu Lea?’
Toen deed Rozijntje heel gek voor een kinderjuffrouw of een baker of hoe Jupie het ook noemen wilde...
Met z’n vieren lagen ze geknield om Lea’s koffer, die langzaam openging.
Acht angstige ogen gluurden erin om te zien wat er geworden was van tante Saars geschenk, dat door Jack en Lootje evenzeer als tot hen gericht beschouwd werd alsof tante Saar hun bloedeigen tante was.
Lea’s voorspellingen waren niet al te hoopvol geweest en ze schoof alle verantwoordelijkheid van zich af.
De peren waren heel rijp en heel sappig geweest, toen tante Saar ze in vloeitjes wikkelde.
Lea tilde iets op.
Alleen een ingewijde - en ze waren gelukkig alle vier ingewijden - kon zien wat het in vroeger jaren geweest was. Ongetwijfeld een peer!
De peerachtige vloeistof werd met een driestemmig teleurgesteld ‘hè!’begroet.
‘Dat moet je niet zeggen,’ verdedigde Lea haar meebrengsel. ‘Wie weet hoe lekker het smaakt!’
Wat eens een vloeitje geweest was, werd verwijderd.
‘Een schoteltje!’ kreet Lea.
Jack kwam gedienstig aan met het glas van de wastafel.
‘Wat sappig!’ bewonderde de optimistische Lootje. ‘Wie weet hoe lekker!’
‘Lepeltje!’ commandeerde Lea.
‘Dat is helemaal beneden,’ zei Rozijntje benauwd.
‘O,’ bood Jack aan, ‘ik haal het wel even.’
104