gewoon mens, om te informeren hoe je het vlugste bij Rozijntjes straat kwam.
De meningen over de tijd, die ze er voor nodig zou hebben, liepen erg uiteen.
Was de eerste man, die ze er naar vroeg, maar niet zo optimistisch geweest om van een kwartiertje te spreken, dan was ze op de tram gestapt. Maar toen ze een kwartier gesjouwd had en een ander haar weer beduidde, dat ze nog een kwartier te lopen had, toen was het toch de moeite niet meer waard om voor dat tweede kwartiertje de tram nog te nemen!
En zo werd er een tweede kwartiertje aan vastgekoppeld, en daarna nog een tien-minuten, en toen stond ze, hijgend en uitgeput, voor het huis, waar Rozijntje moest wonen.
Even op adem komen! Even de koffer neerzetten, de halfontwrichte arm masseren, zwaaien en buigen, om niet het gevoel te krijgen, dat Rozijntje bij de eerste handdruk een losse arm in haar hand zou houden.
Dan de stoep op en nog eventjes wachten.
Op dat ogenblik kwam er uit een raamopening boven de stoep een onduidelijk en toch voor Lea duidelijk, fijn geluidje.
Een bescheiden fluit waagde aarzelend:
‘Alles blij maakt de mei!’
En toen even later nog eens.
Lea streek even met de hand over het voorhoofd.
Wanneer... waar was dat toch? Wanneer had ze datzelfde zoekende geluid gehoord? Wanneer was het zo’n verrassing geweest, dat de mei alles, alles blij maakte, zelfs... wacht! zelfs een afgesloofd, een opofferend en moe Rozijntje. Dat was geweest op hun slaapkamertje, toen zij zelf voor Rozijntje niets anders en niets beters uit de stad had weten mee te brengen dan een fluit. Een klein beetje muziek in een eentonig leventje!
Toen was Rozijntje wegwijs geworden op al die gaatjes. En het
102