dadelijk na de boterham naar Wientje toegestapt.
Wientje had net haar mondje afgeveegd aan haar wit-met-blauw-geruite schortje, en ze had hem verbaasd aangekeken met haar blauwe kijkers.
Zó vroeg al!
‘Morgen Wientje’, had hij ernstig gezegd.
Toen waren ze samen naar het erf gegaan, Wientje in afwachting wat hij zó vroeg al kwam doen, - en hij was de laatste tijd heus niet al te vaak geweest!
‘Zullen we verstoppertje doen?’ had ze onhandig voorgesteld. ‘Och-e-eigenlijk heb ik geen tijd.’
‘Hê-je geen tijd?? Waarom ben je dan hier?’
‘Nou, toe dan maar.’
Ze hadden eventjes lusteloos verstoppertje gespeeld, omdat ze niets anders wisten.
Maar toen ze ’m allebei geweest waren, en de afgezaagde schuilplaatsjes hadden bezet en weer ontdekt, had Jupie toch maar manmoedig het onderwerp weer aangeroerd:
‘Maar nou heb ik geen tijd meer.’
‘Geen tijd? Wat moetje dan?’
Hij had even gewacht. Toen, met een mannenstem:
‘Ik moet over-overmorgen naar school.’
Het had lang niet genoeg indruk op Wientje gemaakt, want nuchtertjes had ze gevraagd:
‘Maar wat moetje nu dan, datje nu geen tijd hebt?’
‘Och’, - met een schouder-ophalen van wat-begrijp-jij-van-zul-ke-dingen, - ‘alles verzorgen voor school, hè.’
‘Wat dan?’
Zo’n kind begreep er ook niets van.
‘Och, griffels en potloden en al dat spul meer.’
‘O.’
Na een pauze:
99