opkomen, omdat hij zo gelukkig was met haar terugkomst.
‘Bedank juffrouw de Jong maar, datje hier hebt mogen logeren.’ Jupie gaf een net rechterhandje en zei:
‘Dankuwel mevrouw dat ik hier heb mogen logeren.’
Toen Rozijntje dat nette stemmetje hoorde, speet het haar opeens, dat ze een bensjboekje voor hem had meegebracht, en geen trompetter of trommel of fluit of mondharmonica of desnoods pannedeksels, - dat ze geen ontzettend spektakelding voor hem gekocht had. Al die dagen had hij dat stille stemmetje opgezet, en zij alleen kon weten, wat dat betekende voor haar Jupie!
Maar gelukkig, daar zei een stem, die van een heel andere jongen scheen te komen, manlijk-zakelijk:
‘’k Heb m’n koffer al gepakt. Zullen we dan maar gaan?’
Toen ze even later, gearmd met Jupie, op de weg liep, telde ze in zichzelf op, waarom ze wel zo blij was dat ze terug was gekomen: Hier was rust, hier was de vrijheid, - en hier was Jupie.
HOOFDSTUK XVI.
Jupie’s grote dag.
Het hele huis was in rep en roer, de hele week al. Want de grote man in huis, waar alles om draaide, Jupie, zou de gewichtigste gebeurtenis van z’n leven tegemoet gaan.
Jupie zou naar school gaan.
Hij had al plechtig afscheid genomen van Wientje. Dat was zijn jeugdvriendin geweest. Zo iets was goed, zolang je zelf nog niet naar school ging. Maar stel je voor, je liep met een vriend van school, je ontmoette een kind van vier, vijf jaar, en die vroeg of je met haar ging spelen!
Daarom was hij, vier dagen voor zijn grote dag, ’s morgens
98