‘Kind! Je maakt me aan ’t schrikken!’ zei juffrouw de Jong ontdaan.
‘Ik kom Jupie terughalen’, verklaarde Rozijntje, ‘hoe is hij geweest?’
‘Heel goed. Het is een braaf kind.’
Jupie een braaf kind? Dat was een heel nieuw gezichtspunt.
‘Waar is hij?’
‘Ga maar binnen bij hem, in de kamer.’
Jupie in de kamer en niet in de keuken. Jupie een braaf kind. Waar moest dat heen?
Het volgend ogenblik was ze in de kamer.
Ja, Jupie was een braaf kind. Nu zag ze zelf ook met schrik, dat Jupie een braaf kind was.
Hij zat met de zilveren spulletjes te spelen. Hij zette ze op een rijtje, hij verplaatste ze weer. Maar aan de lome bewegingen zag Rozijntje, dat hij het al die dagen al gedaan had, - dat er geen zweempje belangstelling meer in hem was voor het spelletje, dat hij gedwee weer speelde.
‘Jupie! Juup!’
Hij keerde zich met een ruk om, en ineens was er weer spanning in z’n spiertjes, weer geestdrift in heel dat heerlijke jongenssnuitje.
‘O, Rozijntje! Rozijntje!’
Hij sprong op en vloog op haar toe, net toen juffrouw de Jong ook de kamer binnen kwam.
‘En hij heeft zo prettig gespeeld elke dag, hè Jupie?’ zei juffrouw de Jong hem voor.
‘Ja mevrouw’ zei Jupie met twee woorden.
Juffrouw de Jong streek hem over het haar.
‘Ik had gewoon geen kind aan hem’, vertrouwde ze Rozijnte toe.
‘Gelukkig’, beaamde Rozijntje.
Jupie stond maar met z’n ronde kop tegen Rozijntje’s jurk te aaien, net een spinnende poes. En ze voelde een trots in zich
97