z’n allen gemaakt hadden, - de jurk uit de stad.
Ze was blij met die jurk. Ze zou hem dragen, op Sjabbos, hier in het dorp ook. Als ze durfde ten minste.
Maar met de rust en de vrijheid was ze blijer. Met de zon en de geur van hooi en de koepel van blinkend blauw, - met de verre ruimte, - o, daarmee was ze blijer!
’t Moest gezellig zijn in huis, als vader en Jupie thuiskwamen. Gezellig en schoon!
Wat stoffig werd je huis in zo’n paar dagen! Wat viel er veel te redderen!
Gelukkig, eten koken hoefde ze vandaag niet. Dat hadden ze allemaal al op, hadden ze afgesproken. En Lea’s moeder had haar brood en boter en kaas uit de stad meegegeven voor de eerste avondboterham, en bovendien nog lekkere koek, zelfgebakken koek, dat ze dadelijk niet hoefde te bakken.
Toen alles zo’n beetje schoon was, en de boterhammen gesneden en de tafel gedekt, toen ging ze naar het randje bloemen achter de deel en plukte een hele bos goudsbloemen. Drie, vier jampotjes stonden er vol mee. En dat op tafel, op het aanrecht, op de grond boven ’t fornuis, - het leek wel een feest! Maar het was ook een feest!
Toen overzag ze alles nog eens en haalde van boven, van haar bed de beide cadeautjes. Vaders cadeau, een paar dikke wollen handschoenen voor de winter, die ze met veel moeite midden in de zomer in de stad had opgeschommeld, legde ze ingepakt naast z’n bord.
Maar Jupie’s verrassing, het kleine bensjboekje, waaruit hij sjier hamangalous kon leren, dat stak ze bij zich, toen ze naar juffrouw de Jong ging om hem te halen.
Toen ze bij juffrouw de Jong binnen stapte, in de keuken, stond de juffrouw net bij ’t aanrecht vlees te zouten.
‘Daar ben ik weer!’ zei Rozijntje vrolijk. ‘Hoe is ’t met Jupie?’
96