om alles en nog wat, - alleen maar omdat ze moe en slaperig en omdat ze drie meisjes waren.
Moe en slaperig, - opeens bedacht Rozijntje, dat ze vanmorgen nog in haar eigen huis geweest was, afscheid van Jupie-op-de-hon-denkar had genomen, op reis gegaan was, en... en aan ’t station vader nog had gezien.
Was dat vandaag geweest?
Welnee, dat moest jaren geleden zijn. Welnee, want dat Rozijntje bij haar thuis was dit Rozijntje immers niet?
Ze lag nu in haar bed, met zware oogleden, met het geluid van de grote stad in haar oren.
Ze vroeg zichzelf:
‘Ben jij Rozijntje wel?’
En ze antwoordde zichzelf, doezelig:
‘’k Weet het niet. ’k Weet het echt niet meer.’
Nee, ze wist niets meer. Het eerste wat ze weer wist, was dat het alweer morgen was en dat de beide andere meisjes al uit bed waren. Sjabbosmorgen...
HOOFDSTUK XIV.
De jurk.
Ze hadden allemaal complotten gesmeed tegen Rozijntje. Maar het heerlijkste complot van alles was wel, dat ze de laatste avond, maandagavond, mee zou naar een echt, werkelijk concert. Naar een zaal met veel licht en veel mensen, naar muziek en zang, en laat terug, door verlichte straten, waar je kon zien alsof het midden overdag was.
Ze liet het maar allemaal over zich heen gaan, lachend en gelukkig. Ze gebruikte niet veel woorden om te vertellen hoe
86