‘Maar’, vroeg hij hulpeloos, ‘ik kan toch niet helpen dat ik ziek werd.’
‘Nee’, zei Lea, en ze slikte - nu moest ze dapper zijn en het zeggen - ‘U kunt niet helpen, dat u ziek werd.’ Ze zag hem vast in de ogen. ‘U kunt een beetje helpen, dat u Rozijntje nooit een woord van lof hebt gegeven, en u kunt helemaal helpen, dat... dat...’ Ze schrok terug van de pijnlijke trek, die over zijn gezicht trok bij haar eerste verwijt.
‘En ik kan helemaal helpen?’
‘Dat Rozijntje voor alles alleen staat. Dat u de hulp, die er had kunnen zijn, geweigerd hebt en gezegd hebt, dat het niet nodig was.’
Hij was helemaal wit geworden, toen Lea dat zei, en ze vroeg zich met schrik af of ze niet had moeten wachten tot hij helemaal beter was.
Nee, nee, toch niet. Rozijntje kon niet langer wachten.
Eindelijk kwam zijn stem schor en uit de verte:
‘Hoe weet u dat?’
‘Ik weet het... ik wist het... die avond.’
Het leek of er uren voorbijgingen in die drukkende stilte, waarin beiden het raam uitkeken over de velden heen.
En toen ze al niet meer op een antwoord rekende, kwam zijn stem, die ze haast niet horen kon:
‘Dan moet u maar schrijven, juffrouw Lea. Dan moet u haar maar schrijven.’
‘Wat moet ik haar schrijven?’ vroeg Lea ademloos.
‘Of ze komen wil. Ze is nodig.’
Rozijntje had haar hoofd eens onder het koude water van de pomp gehouden en een paar grote slokken water gedronken. Toen was het net of ze wakker werd, en ze vroeg zich verbaasd af waarom ze de hele morgen zo werkeloos voorbij had laten gaan.
149