de tassen van de schouder liet glijden.
Hier woonde... hier woonde dat dappere jonge ding, dat de ‘juffrouw’ was in huis. Dat kind, dat... hoe heette ze ook weer? Ze heette Roza. Maar hij had Rozijntje tegen haar gezegd, omdat hij gezien had, dat ze de naam Rozijntje het liefst hoorde.
Zou ze weer met de was bezig zijn zoals toen?
Hij liep achterom naar de deel en stapte binnen.
Nee, ze was er niet.
Hij riep: ‘Volk’, en nog een keer, en nog een keer.
Toen kwam heel loom en langzaam iemand uit de keuken.
Het was Rozijntje. Ja, het was hetzelfde meisje, en toch was ze het niet.
Waar was dat fleurige gezichtje gebleven?
‘Dag... Rozijntje’, zei hij aarzelend.
Rozijntje glimlachte moe.
‘Bent u niet voor meer dan een jaar ook hier geweest?’
‘Ja’, zei hij, gerustgesteld, dat ze hem toch herkende, al was ze zo veranderd.
‘Komt u maar mee in de keuken.’
Rozijntje ging hem voor, en in de keuken vroeg ze dadelijk:
‘Wat hebt u te koop?’
O, wat was dat meisje veranderd.
Hij keek rond, alsof hij zocht naar het kopje koffie van toen.
Eindelijk waagde hij: ‘Wat is er hier gebeurd?’
Rozijntjes stem beefde, toen ze antwoordde:
‘Ik heb niet veel tijd. Ik heb het zo druk.’
Daar was niet de kinderlijke trots in haar stem, dat ze het zo druk had. Daar was eerder de angst om de minuten, die voortgingen en zij had nog zo veel te doen.
‘Wat is hier gebeurd?’ vroeg hij nog eens.
Toen zei ze langzaam en toonloos:
‘Vader is ziek. Vader is bijna beter. Ik moet voor alles zorgen.’
145