’s Avonds vroeg ze dikwijls angstig aan Rozijntje: ‘Ben je erg moe?’
En Rozijntje zei iedere keer hetzelfde: ‘Nee, nog niet.’
Dat ‘nog niet’ voelde Lea als een dreiging in de verte.
Na veel dagen van spanning kwam er een dag, waarop dokter zei, dat hij nu wel geloofde, dat vader beter werd.
‘O’, zei Rozijntje, ‘Dank u wel.’
‘Ben je daar niet blij om?’ vroeg dokter.
‘Ja’, zei Rozijntje. ‘Ik ben er heel blij om.’
Dokter vond het zo vreemd, dat ze het zo kalmpjes opnam. Hij wist niet, dat Rozijntje al die dagen zich aangewend had om maar niet verder te denken, omdat ze wist, dat ze anders bang werd voor het ogenblik, dat ze niet meer kon, net als op de trap, toen ze haar vader naar boven bracht, toen ze alleen maar bad, dat ze veilig boven zouden komen.
Niet verder denken. Niet verder denken. En alleen maar hopen, dat God haar zou helpen om nog een poosje zo door te kunnen gaan.
HOOFDSTUK XXIII
Weerde ‘juffrouw’
Er liep een oude man op de weg met twee zware tassen, die met een dik touw verbonden waren en zo over zijn schouder hingen. Je kon zien, hoe zwaar de tassen waren, want het touw deukte in zijn jasschouder. Huis aan huis duwde hij de deur open en riep naar binnen: ‘Mag ’k de juffrouw even spreken?’
Aan één van de deuren waar hij langs kwam, zag hij een mezoezo. Zijn moede gezicht lichtte eventjes op in herinnering.
Hij bleef een ogenblik er naar staan kijken, vóór hij het touw met
144