Dokter kwam en keek heel ernstig.
‘Wordt vader beter?’ vroeg Rozijntje, toen dokter wegging.
‘Dat denk ik wel’, zei dokter. ‘Dat hoop ik wel. Het wordt een moeilijke tijd voor jou, Roza.’
Rozijntje knikte. Ze wist dat wel. Ze had het wel geweten, dadelijk, maar ze was nu niet bang. Nu nog niet, al voelde ze vaag in de verte, dat er wel eens een tijd zou komen, dat die vreemde helderheid van haar zou ophouden, en dan zou ze bang worden. Ja, dan zou ze misschien wel bang worden.
‘Ik zal een wijkzuster sturen iedere dag’, zei dokter. ‘Maar die komt maar één keer en de rest is voor jou.’
‘Ja, dokter’, zei Rozijntje. ‘Dat weet ik wel.’
‘Zie je er niet tegen op?’ vroeg dokter, een beetje verbaasd.
‘Ik geloof het wel, dokter, maar ik weet het niet precies.’
En toen dokter buiten op zijn fiets stapte, hoopte hij in zijn hart, dat dit jonge, dappere kind dan maar nooit precies zou weten of ze er wel of niet tegen op zag.
En toen begon de tijd, dat Jupie op den duur met moeite stil gehouden kon worden en dat hij zo graag in vaders kamer zou zijn om te wachten op de zachte, zieke stem zoals van moeder.
Rozijntje wilde hem toch niet bij juffrouw De Jong te logeren sturen. Dat zou ze pas doen, als ze niet meer kon.
Want ze dacht er weer aan, hoe zoet ze hem daar gevonden had en hoe stil, spelend zonder enige belangstelling met de zilveren spulletjes. Nee, dat mocht nog niet. Dat mocht pas, als de tijd gekomen was, die ze voelde aankomen. De tijd, dat haar flinkheid opgebruikt zou zijn.
Lea hielp haar, wat ze kon. O, als ze nu haar werk niet had gehad, wat had ze dan voor Rozijntje kunnen zijn. Maar er waren nog andere zieke mensen dan Rozijntje’s vader alleen en de drankjes moesten gemaakt en dokter kon ook niet alleen voor zijn werk blijven staan.
143