‘Waarom was hij boos op haar?’
‘Hij weet het zelf niet meer. Hij wou alleen maar niet goed worden.’
Lea wist niet meer goed, wat ze zeggen moest. Telkens weer hoorde ze Rozijntje’s klagelijke stem:
‘En het was wel nodig. O, ik heb het zo nodig gehad.’
Al de moed, die Rozijntje rechtop had gehouden deze jaren, gleed weg, nu ze wist, dat het anders had kunnen zijn. Ze kon niet meer doordenken, ze kon niet meer de dingen zien, die deze jaren toch ook weer zo mooi hadden gemaakt. Ze wist alleen: het had anders kunnen zijn, en vader had het niet gewild.
‘Ga nu slapen’, zei Lea, ‘ik zal je helpen.’
‘Ja’, knikte Rozijntje gedwee.
Ze kleedde zich uit, waste zich, ging in bed.
Ze was alleen maar moe, verder wist ze niets meer.
Lea dekte haar toe of ze een klein meisje was.
‘Vergeet je ’t nachtgebed niet?’
‘Nee, Lea.’
‘En Rozijntje... je vader heeft het toch goed bedoeld, - zul je niet boos aan hem denken?’
‘N... nee, Lea.’
‘Nacht Rozijntje.’
Midden in haar nachtgebed sliep Rozijntje in.
Maar Lea lag nog heel lang wakker.
HOOFDSTUK XXII
Niet verder denken
Lea had haar vaste plannen gemaakt. Zij wist zo heel zeker, dat ze de moed zou vinden om met Rozijntje’s vader te praten. Want
138