Zó wild, zó zonder rem had ze nog nooit gehuild.
In haar doffe gedachten was alleen dit duidelijk: dat vader in de gelegenheid geweest was, haar jong en onbezorgd te laten zijn als andere meisjes, - dat er een vrouw in huis had kunnen zijn, die voor alles zorgde, - en dat hij dat alles weggegooid had, dat hij haar had laten werken als een grote vrouw, had laten verlangen naar iemand, die voor hen zorgde, - voor haar en Jupie, - o, - het had alles anders kunnen zijn, als hij maar gewild had, - en zij had het niet geweten...
Toen het snikken wat bedaarde en ze doezelig bleef liggen, was er opeens een hand op haar hoofd, en Lea’s stem bij haar oor:
‘Wat is er, Rozijntje?’
Rozijntje keerde zich om en keek Lea door haar gezwollen oogleden aan.
‘Weetje ’t niet?’ vroeg ze schor.
‘Nee.’
‘Heb je vader niet horen vertellen van zijn... van de tante...’
‘Ik ben de keuken uitgegaan. Ik dacht dat jullie dat prettiger vonden.’
Rozijntje ging langzaam rechtop zitten.
‘De tante... heeft hier willen komen en... en voor ons zorgen... voor Jupie en mij... toen het... toen het nodig was. En vader heeft gezegd dat het... dat het niet nodig was... ik was groot genoeg...’
En onder nieuwe tranen, heel hulpeloos:
‘En het was wèl nodig.’
Lea zei niets. Ze streelde Rozijntjes hand.
‘Rozijntje’, zei ze telkens. Alleen maar ‘Rozijntje’.
Eindelijk:
‘Misschien is het toch beter geweest. Als het nu eens geen aardige tante was.’
‘Ze is wel aardig. Vader moest dat zelf zeggen, al was hij boos op haar.’
137