Toen:
‘Heeft ze kinderen?’
‘Ze heeft een jongetje gehad. Het... het leeft niet meer. Haar man ook niet meer. Dat heb ik van anderen gehoord.’
‘O!’
Heel verschrikt riep Rozijntje het. Van anderen gehoord...
‘Voor twee jaar’, zei vader in zichzelf, - ‘toen... toen je moeder... toen kwam er een brief van haar, dat ze wel hier wou komen en voor jullie zorgen. Toen heb ik geschreven, dat het niet nodig was. Jij was groot genoeg.’
‘Vader!’
Rozijntjes stoel schoof achteruit en viel kletterend op de keukenvloer. Het volgend ogenblik was ze weg, rende snikkend de trap op.
Vader zat alleen in de keuken.
Hij zag wit en oud opeens. Hij rookte niet meer, had de pijp vóór zich neergelegd op het asbakje.
Waarom was ze weggelopen? Had hij niet goed gedaan, toen, voor twee jaar?
Hij keek rond. Alles stond keurig op zijn plaats, alles was ordelijk en gezellig.
Roza was immers groot genoeg geweest, - anders had ze dit alles niet gekund. Had hij dan niet goed gedaan?
Had hij er maar nooit over gepraat. Hij zou er verder geen woord meer over zeggen, dan vergat ze het vanzelf.
Tot laat in de avond bleef hij zitten op diezelfde plaats. De pijp was uitgegaan.
Rozijntje kwam niet meer naar beneden.
Boven was Rozijntje in ’t slaapkamertje gekomen, de handen voor ’t gezicht.
Ze gooide zich voorover op de gehaakte sprei van haar bed en schokte van ’t heftige snikken.
136