‘Woont hij ook in Spanje?’
‘In Spanje? Nee, - o, nee, heel ergens anders.’
‘’k Weet niet uit m’n hoofd... O ja, in Erets Jisroeil.’
‘O.’
De vragenstroom was even gestuit. Even maar. Toen:
‘Weet juffrouw op school van het Channoeko-mannetje?’ ‘Juffrouw?’ verschrikt, ‘nee, hoor!’
‘Wanneer komt het Channoeko-mannetje?’
‘Over een week zowat. Een week vóór Channoeko kun je ’t wel proberen.’
‘Best.’
’t Klonk al veel fleuriger. Gekheid, als er een Channoeko-man-netje bestond, kon je niet tegelijk wat van Sinterklaas verwachten.
Op school hadden de meeste kinderen thuis vanmorgen al wat in hun klomp gevonden. Jupie zweeg over het onderwerp.
‘Jij ook?’ informeerde Gerrit Smit.
‘Nee. Ik heb geen Sinterklaas. Ik heb een ander. Die komt later pas.’
‘O’, - Gerrit vroeg niet verder. Hij begreep er niets van.
Zo, had Jupie een andere Sinterklaas? Kwam die later pas? Zo, zo. Nou, ’t zou wel waar zijn, anders zei Jupie het niet. Maar raar was het wel.
Een week later zette Jupie voor de zekerheid z’n klompje.
Zonder iets voor ’t paard. Het Channoeko-mannetje had geen paard en hij deed het voor niets. Aardig.
De volgende morgen lag er een koekje in, een koekje uit de stad, met Joodse letters er op.
‘Zie je nou wel’, dacht Jupie. ‘Sinterklaas komt niet bij Joodse kinderen. Die kan zo’n koekje niet geven. Die kan geen eens de letters lezen die er op staan!’
124