Door zijn tranen heen lachte Jupie medelijdend.
‘Niet bestaat? Och kind.’
‘Nee, Jupie, hij bestaat echt niet’.
‘Zo. Wie zou ’t beter weten, de juffrouw of jij? Hè? En waar kwam dan dat suikerbeestje in de klomp van Kees van de bakker vandaan? Hè? De juffrouw zal er toch zeker niet om jokken? Hè?’ Tegen zulke verpletterende argumenten voelde Rozijntje zich machteloos.
‘Eh... hij bestaat wel, bedoel ik... maar bij Joodse kinderen komt hij niet.’
Jupie staarde haar sprakeloos aan.
‘Waarom niet?’
Het zweet brak Rozijntje uit. Ja, waarom niet?
‘Daar heeft hij een ander voor. Daar komt het Channoekö-man-netje.’
‘Ooooo!’
Even later:
‘Waarom heb je me dat nooit eerder verteld, dat Channoeko een mannetje had?’
‘Vergeten.’
‘Hoe kun je zó iets vergeten’, verweet hij, meer bedroefd dan boos. ‘Daardoor heeft hij me nooit wat in de klomp gestopt. Heeft hij ook een paard?’
‘Nee, het Channoeko-mannetje niet.’
‘En een zwarte knecht.’
‘O nee, helemaal niet. Hij doet alles zelf.’
‘O. En wat moet je in de klomp klaarleggen, als hij geen paard heeft?’
‘Niets. Hij geeft het zó maar.’
‘Aardig van hem.’
‘Ja’, zuchtte Rozijntje.
Ze had het zelden nog zo benauwd gehad.
123