afgesloten. Tot aan de rand van haar ogen waren ze telkens gekomen, en nu vloeiden ze er rijkelijk over.
Tot snikken kwam het niet. Dat liet haar neus niet toe. Ook dat nog! En door de tranen werd haar neus, als het kon, nog dichter dan hij al was.
Neen, er was op heel de wereld geen ongelukkiger meisje dan dat éne Rozijntje, dat daar met een verkouden neus en koude voeten in haar bed lag te hunkeren naar een kruik en hete anijsmelk, - of eigenlijk: naar een beetje warmte en een beetje liefde.
Toen Lea naar bed ging, lag Rozijntje onrustig en onprettig te slapen, met open mond en droge lippen.
Lea had die dag meer dan genoeg met zichzelf te stellen gehad.
Haar moeder was jarig, en dat was thuis altijd één van de hoogtepunten van ’t jaar. De jongste kwam ’s morgens heel vroeg een versje opzeggen, dat vader of één van de ‘groten’ gemaakt had,
- en moeders stoel was versierd, en moeder was stralend en vol liefkozingen, - o, wat een gelukkige dag was het altijd.
Maar aan dokter vragen of ze naar huis mocht, omdat moeder jarig was, - dat durfde ze niet. Dat leek zo... zo precies of je je werk maar voor een lolletje deed, en niet ernstig.
Ze had dokter niet eens verteld, dat moeder jarig was.
Maar hard was het, hoor, hard. Gewoon daags je werk te staan doen, en te weten dat het thuis de mooiste dag van ’t jaar was haast,
- vaders verjaardag en Seideravond en uitgaande-Joumkipoer dan uitgezonderd.
Tot overmaat van ramp was dokter, die niets wist van moeders verjaardag, een beetje kort-aangebonden geweest vandaag. Er was een patiëntje, waarvan hij bang was, dat het niet goed zou gaan, -en van spanning en akeligheid werd hij wat ongeduldig en nors.
Lea kende dat al van dokter, en ze begreep het heel goed en vond het nooit erg. Maar nu, vandaag...
Ze kleedde zich in gedachten uit.
113