breien.
Toen Rozijntje binnen stapte, tot grote verrassing en blijdschap van mevrouw, durfde ze toch maar niet ineens haar mantel uit te doen.
Als ze ’m eens niet mooi vond, dan zat ze er maar mee.
‘Kind, kind’, verbaasde mevrouw zich, maar keek dadelijk gerustgesteld in Rozijntje’s fleurig gezichtje, ‘hoe kom je toch hier, midden op de dag?’
‘Inkopen’, snoefde Rozijntje.
Mevrouw moest lachen om haar toon.
‘Doe eerst je mantel eens uit. Als meneer daar uit school komt, drinken we samen thee.’
Rozijntje keek bedenkelijk. Werd het niet te laat?
Nee, zó lang duurde het niet meer. Maar toe, eerst haar mantel uit.
Rozijntje aarzelde.
‘De jurk uit de stad zit er onder.’
Nu werd mevrouw één en al nieuwsgierigheid. Toe, gauw dan!
Rozijntje zette eerst haar muts af. Dat was zo’n soort overgang: dan kon mevrouw vast aan haar losse lokken wennen.
Dat was een goed begin. Nu de mantel uit. Daar stond ze, in al haar pracht en praal.
Mevrouw sloeg de handen in mekaar en schudde ’t hoofd.
‘Prachtig. Was ie dat nou, waarvan je vertelde? En die bloem!’
Wat viel het allemaal mee!
Maar opeens betrok mevrouw’s oud gezichtje.
‘Kind, je wordt nog ziek! Zó dun en zonder mouwen in dat koude weer!’
‘Mijn mantel is dik’, verdedigde Rozijntje.
‘Dat doet er niet toe’, deed mevrouw streng. ‘Jij gaat straks niet naar huis zonder meneer z’n wollen das.’
Rozijntje’s gezicht werd al fleuriger. Heerlijk, als iemand je een
108