herfstdraad.
De boomgaarden stonden zwaar onder de appels of peren. Sommige gaarden waren al leeggeplukt, - maar die nog niet geplukt waren, konden het haast niet dragen, zóveel was het.
Ze zag het allemaal wel, Rozijntje. Ze reed wat langzamer, als ze langs zo’n boomgaard kwam, - en als er een recht stuk open weg kwam, dan rende ze met een dolle vaart over de zonnige weg.
Wat een middag, wat een middag!
Ze lachte tegen iedereen, die ze tegenkwam, net of die ook zo’n wondermiddag beleefde als zij, net of die ook vrij had vandaag, vrij van het werk van elke dag...
In de winkeltjes, - want grote winkels waren er niet, - deed ze echt juffrouwachtig, net of ze er verstand van had. Het speet haar opeens, dat ze geen opgestokeu haar had. Dan had ze nog veel echter de katoenen lappen tussen haar duim en wijsvinger kunnen wrijven, met een proevend gezicht en gefronste wenkbrauwen. Nu, met twee vlechten op haar rug, was het maar zo-zo.
In het winkeltje-van-alles kocht ze wat lepels en pannetjes, en vroeg deftig of’t bezorgd kon worden.
‘Oja’, schoot haar te binnen, ‘en de minnich-emmer’.
Ze moest er meteen om lachen, dat ze bij ongeluk minnich-em-mer gezegd had, - groente-emmer had ze moeten zeggen!
Maar de vrouw zei rustig:
‘Welke kleur gebruik je voor minnich?’
Toen voelde ze zich ineens zó op haar gemak in dit winkeltje, dat ze druk babbelde over haar grijze minnich-emmer, die lek was, en haar donkerblauwe vlees-emmer, en haar witte melk-emmer, en al de geheimen van haar keuken!
Was ’t ook niet net, of je hier in stad was? Je stapte een winkel binnen en ’t was een Joodse winkel.
Meneer was in de Joodse school. Mevrouw zat natuurlijk te
107