In gedachten zag ze zich de kamer van meneer en mevrouw binnenkomen, de mantel in de gang uitgedaan, en zij met haar mooie jurk met de bloem aan haar schouder en zonder mouwen in de kamer. Hoe zouden ze het vinden?
Ze voelde vaag, dat dit niet de recht geschikte jurk was voor meneer en mevrouw. Mevrouw zou bovendien nog doodsbang zijn, dat ze op de fiets kouvatte.
Niet doen? Maar ze was zo nieuwsgierig hoe ze ’t vonden.
Wel dóen? Maar ’t was zo koud, en ’t paste zo weinig bij de fietsweg en het dorp waar ze uit kwam en het dorp waar ze heen ging.
Niet doen? Maar ze had toch een dikke mantel en op de weg zag geen mens er wat van.
Wel doen. Wel doen. Ze maakte een klein sprongetje van plezier, dat ze zichzelf verlof had gegeven de jurk aan te doen.
Zonder er echt bij te denken, legde ze haar haar in losse golven over de oren vóór ze ’t ging vlechten. Ze haalde de linten voor de dag en strikte ze als vlinders onderaan de lange staarten.
Nu de jurk aan. Vooral niet naar de zwarte, dikgebreide kouse-benen met de plompe schoenen kijken. Alleen naar de jurk, dat heerlijk bezit uit de stad.
Ze voelde zich koud van de luchtige voile, en warm van plezier. O, wat een middag werd het toch!
Haar wollen muts zette ze zó op, dat er opzij nog een golfje haar uit kwam. Daardoor leek het opeens een heel andere muts. Nu de mantel aan, de warme, dikke - de boodschappentas aan ’t stuur gehangen, - in de keuken gekeken of er niets kwaad kon, - en hup, op de fiets.
Overdag op de fiets, dat kwam niet vaak voor. En ’t was zo’n mooie herfstdag, koud en zonnig. De struiken en bomen waren nog veel feestelijker gekleed dan Rozijntje zelf: bruin en rood en geel en oranje, - soms van de ene struik naar de andere een blinkende
106