HOOFDSTUK XVII
Vrije middag
Met een zeker genoegen constateerde Rozijntje, dat er nodig het een en ander bij gekocht moest worden, in de keuken en in de linnenkast. Dingen, die in haar eigen dorp niet te krijgen waren.
Ze had het allang gezien, maar telkens uitgesteld. En nu was er gelukkig geen uitstel meer mogelijk.
Heerlijk toch, dat het hier in ’t dorp niet te krijgen was. Nu moest ze wel met de fiets naar ’t grotere dorp in de buurt, - het dorp waar haar Joodse meester woonde, - en nog wel overdag. Want ’s a-vonds was ’t al mooi vroeg donker, dan kon ze niet goed meer terecht in de winkels.
Ze verkneukelde zich in ’t vooruitzicht, ’t Moest maar zo geregeld worden, dat ze een middag van huis kon. Als ze nu al het eten van tevoren klaar had en op een petroleumpitje zette, en ze vroeg Lea of zij de aardappelen opzette als ze thuis kwam van de dokter, en ze kwam zelf een kwartiertje vóór ’t eten thuis, - dat kon best!
En dan de hele middag uitblijven. Eerst heenfietsen, op d’r gemak de boodschappen doen en als een echte juffrouw alles thuis laten sturen, - stel je voor, ze kon toch niet met een nieuwe groentenemmer over de weg fietsen! - dan bij meneer en mevrouw op visite, midden overdag, en tenslotte terug peddelen.
Ze repte zich die morgen wat ze kon, en ging dadelijk, toen Jupie naar de middagschool was, naar boven om zich klaar te maken voor haar uitgangetje.
Wat had ze een zin om zich netjes te maken.
Zou ze, - nee, onzin natuurlijk, - zou ze haar lichtgroene voile jurk aandoen? Om zich net zo te voelen als in de stad?
’t Was eigenlijk al flink koud weer. En dan op de fiets! Maar met haar mantel erover?
105