boend, de krullenkuif nog eens achterover geborsteld, de pet netjes opgezet, de das recht getrokken, - ziezo.
Jupie zag echt wit om z’n neus.
”k Heb zo’n schrik in m’n buik’, zei hij kleintjes.
‘Gaat wel over’, bemoedigde Rozijntje, maar zelf had ze minstens zo’n erge schrik in haar buik als Jupie.
Vader was vroeg weggegaan, had Jupie zelf nog op ’t laatst een zoen gegeven, en in de deur nog eens omgekeken naar z’n grote schooljongen.
Lea had hem, vóór ze de deur uitging, een puntenslijpertje cadeau gegeven, dat net in z’n koker paste.
Was het dan zo’n wonder, dat hij van al die gebeurtenissen zo’n schrik in z’n buik kreeg?
Bij de school waren veel nieuwe jongetjes en meisjes en veel moeders. De moeders praatten met elkaar, zoals vrouwen met elkaar praten, en Rozijntje, meisje met vlechten, voelde zich opeens heel eenzaam.
‘Hoe heet je, ventje?’
‘Jupie, juffrouw.’
‘Wou je een grote schooljongen worden?’
‘Ja juffrouw, de knapste van de klas.’
Toen zag hij allemaal wondermooie platen langs de muur, en bestond er niets anders meer op de wereld, - zelfs geen Rozijntje.
‘Dag, Jukepuuk’, kwam Rozijntje zachtjes.
‘O, dag’, zei Jupie afwezig.
Bij de deur wuifde ze nog eens naar hem. Hij zag het niet.
‘Dag’, fluisterde ze in zichzelf.
Ze stond nog even, als een bedelaresje, te wachten of er nog een groetje op over kon schieten.
Jupie zat z’n bezittingen uit te stallen voor z’n buurman.
Toen ging Rozijntje maar stilletjes naar huis.
104